truuken van luie sjarel
Erika
Ik ging vanmorgen mijn strijkmanden afleveren in het strijkatelier van Dienstenthuis aan de Lange Leemstraat. Twee stuks. Barstensvol. ‘Truuken van luie sjarel’ zou mijn moeder het noemen. Want ik ga bij wijze van spreken nog eens eerst op het wasgoed zitten, zodat ik er nog wat bij kan proppen, alvorens ze in te leveren. (Bij wijze van spreken,
voor al degenen die mij dat nu al in gedachten zien doen!) Per mand twee dienstencheques. Deze week ben ik er dus vier kwijt. Tijdens de feestdagen stapelden de was en de strijk zich immers op als een zandbank in de Westerschelde.
Ik drop mijn manden bij Paul en wil vertrekken als ik rond de grote keukentafel een tiental strijksters en thuishelpsters zie zitten. Ik ga even gedag zeggen en herken meteen Drita en Ikram. Ze veren recht. Drita kust me gelukkig nieuwjaar en vraagt me hoe het met mijn vader gaat. Ik laat met enkele gelaatstrekken merken dat hij overleden is en er wellen meteen tranen op. Ik ben sprakeloos. Terwijl ook Ikram me komt omhelzen, zie ik Drita naar de andere vrouwen gebaren wat er gebeurd is. Er volgt een doodse stilte. Iedereen staart naar me. Als ik een sorry-gebaar maak en de keuken ontvlucht, zie ik nog net dat er op de tafel overal exemplaren van mijn boek liggen. Het boek wordt naar de klanten, thuishelpsters en zakenrelaties opgestuurd als eindejaarsgeschenk. De vrouwen maken de omslagen klaar.
Ik ervaar het als vreemd om mezelf op de achterflap te zien staan. In tempore non suspecto. Toen de zomer nog warm was, de décolleté nog diep uitgesneden (te diep volgens de fotograaf) en het haar net gekapt. Toen ik alle dagen hoopte dat mijn vader zou blijven leven, opdat hij toch nog de (penne-)vruchten van mijn brein zou kunnen aanschouwen. Opdat hij nog het dankwoord zou lezen dat ik aan hem opgedragen had. Opdat ik met mijn boek een klein bruggetje zou kunnen bouwen, naar de overkant, daar waar zwijgzame vaders op eenzame hoogten er hun eigen gedachtengang op na houden.
Twee dagen voor zijn herseninfarct zei hij droogweg over het boek: “Tja, niet slecht, hé!”. ‘Niet slecht’ is in elk geval niet slecht en in het beste geval goed, denk ik bij mezelf.
Al snotterend start ik de motor en rij de baan op. Ik zet de ceedeespeler loeihard. Ik kies bewust de track. “Ik heb dezelfde ogen, En ik krijg jouw trekken om mijn mond,… Jij hebt jouw idee, Ik heb mijn idee, En we zwerven in gedachten, Maar we komen altijd thuis, ….De waarheid die je zocht, En je nooit hebt gevonden, Ik zoek haar ook en tevergeefs, Zolang ik leef,…
Want papa, ik lijk steeds meer op jou…”
Posted in boek |
No Comments »